Zware industrie kan motor zijn voor groene economie

By January 22, 2014November 16th, 2015One Comment

Nederland moet de basisindustrie niet de deur uitdoen, maar juist inzetten als gangmaker voor de overgang naar een duurzame economie.

Draai de aardgaskraan een flink stuk dicht, neem afscheid van de zware energie-intensieve industrie in Nederland, en mik op duurzame energie, plantaardige grondstoffen en kennis. Dát is groene industriepolitiek, zo luidt kort samengevat het betoog van GroenLinks-Kamerlid Liesbeth van Tongeren (Opinie, 8 januari).

Minister Jan Willem de Pous legde in 1962 de grondslag voor het gasbeleid en het daarop gebaseerde industriebeleid. Bron: Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/de Nijs (Wikimedia/commons)

Dat snijdt geen hout: juist een offensief industriebeleid is nodig dat de zware industrie tot gangmaker van de transitie naar een duurzame economie maakt. Van Tongerens visie op groene industriepolitiek faalt economisch én ecologisch. Dat laatste lijkt op het eerste gezicht vreemd. Immers, minder zware industrie in Nederland betekent toch minder vervuiling? Nee, zo werkt het niet. In een open economie waarin grondstoffen, energiedragers en goederen probleemloos grenzen passeren, zijn slecht doordachte maatregelen ineffectief, of ze werken zelfs averechts.

Kenniseconomie

De Britse energie-econoom Dieter Helm laat dat in zijn boek ‘The Carbon Crunch’ genadeloos zien: de industrielanden vegen hun eigen straatjes schoon door energie-intensieve grondstoffen en producten te importeren in plaats van deze zelf te produceren. Hierdoor verplaatst de vervuiling zich naar elders, en neemt zelfs toe als de productie minder milieu-efficiënt plaatsvindt dan in ons land. Als de Nederlandse ‘hoogwaardige, energie-efficiënte kenniseconomie’, die Van Tongeren bepleit, in toenemende mate wordt gebaseerd op een laagwaardige, energie-intensieve vervuileconomie in China, India en andere landen, is dat niet alleen ecologisch, maar ook economisch een gemiste kans. Het staal voor de windturbines die te land en ter zee geplaatst worden moet toch ergens vandaan komen. De batterijen en materialen van de elektrische auto’s die ons land moeten verduurzamen ook. Routekaartstudies voor onder meer de chemie en de metaalindustrie laten zien dat de Nederlandse industrie die basisproductie schoon, innovatief en circulair kan verzorgen. Dat is een markt die niet te versmaden is.

Groene vernieuwing

Daarnaast: juist een groeiend aandeel hernieuwbare energie biedt nieuwe kansen voor de basisindustrie. In buurland Duitsland heeft de industrie zijn concurrentiepositie zien verbeteren doordat dankzij zonne- en windenergie de groothandelsprijzen voor elektriciteit zo’n 20 procent zijn gedaald. Er zijn meer kansen. Zo kan de zware industrie de wisselingen van het energieaanbod uit zon en wind opvangen door als energieopslag te fungeren. Het aluminiumbedrijf Trimet in Duitsland koerst die kant al op. In Duitsland begrijpen ze: die basisindustrie moet helemaal niet weg, maar moet juist onderdeel zijn van de Energiewende. Om dat te bereiken moet de beschikbare kennis, kunde en innovatiekracht niet op voorhand worden afgeschreven, maar actief voor groene vernieuwing worden ingezet. Zonder een duidelijk perspectief ontwikkelt geen enkel bedrijf nog iets, ook niet iets groens.

Potjesgas

Enkele koplopers in de basisindustrie zoals AkzoNobel en zinkfabriek Nyrstar verstonden de tekenen des tijds al eerder, en werkten samen met energiebedrijf Eneco zelf voorstellen uit voor het verduurzamen van de eigen basislast-energie. Door gerichte regels, randvoorwaarden en financiële prikkels kan ook de basisindustrie onderdeel worden van de transitie naar duurzaam. Dat is een economisch en ecologisch veel aantrekkelijker perspectief dan als ongewenste vreemdeling over de grens te worden gezet. In het verleden hebben we deze sectoren naar Nederland gehaald met zogeheten ‘potjesgas’ dat lage energieprijzen garandeerde. Dat gebeurt al lang niet meer, maar we zouden nu wel een deel van de gasopbrengsten, die hoe dan ook zullen teruglopen, kunnen gebruiken om de industrie te helpen vergroenen en zo een blijvend economisch én ecologisch wenselijke toekomst te bieden.