
© Steven de Bie
Op weg naar Barr al Hikman
Als ik de gordijnen openschuif zijn twee halsbandparkieten de eerste vogels die ik zie tegen een achtergrond van een blauwe zee, palmbomen en dobberende vissersboten. Niet de soort waar je gelijk aan denkt als je in Oman bent. Eerder had ik meeuwen en sterns boven de branding verwacht. Die blijken er trouwens ook te zitten.
Ik ben in Oman om vogels te gaan tellen, met speciale aandacht voor soorten zoals flamingo’s, steltlopers, reigers, meeuwen, sterns, aalscholvers, enz. Allemaal soorten die aan water gebonden zijn.
Al 50 jaar worden overal in de wereld deze soorten vogels geteld door vrijwilligers, die allemaal het tellen van vogels leuk vinden en daar graag tijd aan besteden. In het begin vooral in Europa maar sinds de jaren ’90 ook in Afrika, Zuidoost Azië en Zuid- Amerika. Juist in januari/februari worden deze soorten geteld omdat ze dan in grote groepen in hun winterkwartieren te vinden zijn wat het tellen gemakkelijk maakt. Deze International Waterbird Census (IWC) vindt nu dus voor de 50e keer plaats, een feestje waard. Wetlands International coördineert deze tellingen en maakt na afloop ervan de stand op. Zo krijgen we een beeld hoe het met deze vogels is gesteld, wat de trends zijn, waar ze speciale aandacht verdienen.
Vogels zijn de thermometer voor de gezondheidstoestand van onze planeet: hoe slechter wij omgaan met onze omgeving, hoe slechter het gaat met de vogels die daarin thuis horen. En vooral watervogels zijn dat voor moerasgebieden, waar zo’n 25% van de wereldbevolking woont en van afhankelijk is voor hun bestaan: visserij, natte akkerbouw, veehouderij. Het tellen van vogels vertelt ons dus of we goed voor onze omgeving zorgen of niet.
Samen met nog 5 vogelaars ben ik op weg naar het waddengebied van Barr al Hikman, bijna 500 km ten zuidoosten van de hoofdstad Muscat om daar vogels te gaan tellen. Het is een uitgestrekt waddengebied dat grenst aan de woestijn met zoutvlaktes, daarvan gescheiden door een lage duinenrij. Oman heeft nog niet zoveel eigen vogelaars.
Voor we op weg gaan presenteren we op het Ministerie voor Milieu en Klimaat de achtergrond van deze telling. Enthousiast reageert men en hebben duidelijk interesse om mee te gaan. Maar net als bij ons verhinderen al gemaakte afspraken hen de daad bij het woord te voegen. Volgend jaar dan maar.
Na de bergen ten zuiden van de hoofdstad overgestoken te zijn komen we terecht in een eindeloze kale vlakte. Zo nu en dan stukken met meer begroeiing van succulente lage struiken en kruiden. Lage acacia’s laten zien waar dichte bodems zijn. De laatste 70 km rijden we naar de kust. Bij ondergaande zon rijden we door een verstild, bruinrood landschap waar zo nu en dan lichte plekken oplichten door het aanwezige zout. De maan staat al aan de hemel als we in het laatste licht de tenten opzetten, enkele meters van de zee tussen de lage struiken.
Een kampvuur sluit de dag af. Morgen begint het werk! Allemaal hebben we er zin in.
Steven de Bie, 21 januari 2016